Home     Naar de oude website
De armmeester.. Armenzorg in de waard.


In de stamboom komen we Wiggert Jans Stout (1719–1797) tegen. Hij was naast boer ook nog armmeester.
Armmeester? Dit is geen functie die iedereen weet. Reden te meer om eens dieper te kijken naar deze functie. De functie heeft te maken met de armenzorg die niet vanzelfsprekend was geregeld in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden zoals Nederland toen heette. We nemen het onder de loep.

Eerst eens de vraag....Hoe zat dat met die rijkdom in Nederland ?
Nederland met zijn grachtenpanden, pracht en praal. In vooral de Gouden eeuw was Nederland het rijkste land ter wereld.
Nederlanders waren heel erg rijk. Het kon niet op.... toch? Althans, dat leerden we vroeger op school ? Het stond keihard in de schoolboeken. Daar moesten we trots op zijn. recentelijk refereerde een minister president nog naar die handels-mentaliteit van toen.
Maar... was dat wel zo. leefde iedere Nederlander in welvaart? Het antwoord hierop is een heel duidelijk, een heel dik onderstreepte "NEE¨. De rijkdom was maar voor een zeer klein gedeelte van de bevolking weggelegd. De rest moest hard werken en was blij als er voldoende was om rond te komen of had helemaal het nakijken. Grofweg kunnen we de volgende verdeling maken:

  1. De Groten der burgerij (ca. 5-10%):
    De superrijken (regenten en top-kooplieden) die de macht en het geld in handen hadden. Deze groep werd fabelachtig rijk door handel over de hele wereld. Niet alleen de VOC en WIC bracht geld in de la maar vooral handel met de Hanzesteden deed dikke winsten boeken. Hier zat het geld.! !

  2. De Kleinen der Burgerij / Middenklasse (ca. 40-50%):
    Zelfstandige winkeliers, ambachtslieden, predikanten en boeren. Het was voornamelijk hard werken. Zij konden in goede tijden goed leven, maar hadden weinig reserves bij tegenslag. Zodra het economisch minder voor de wind ging was het sappelen en armoede.

  3. De "Grauw" of het gemeen (ca. 40-50%):
    De enorme onderlaag van matrozen, soldaten, dagloners, dienstbodes en wasserijarbeiders. In een textielstad als Leiden leefde in slechte tijden soms wel de helft van de stad van de bedeling (de armenzorg)
Als je dit plaatje bekijkt was het voor 50 tot 90 % van de Nederlandse bevolking gewoonweg pure "armoede". Het zijn schrikbarende cijfers. Tel hierbij ook nog de ellende van ziektes en enorme kindersterfte bij op in een koud en nat klimaat. Het is je niet voor te stellen.
Als je de laatste 1000 jaar bekijkt is het eigenlijk vanaf 1955 voornamelijk beter geworden door hard werken na de 2e wereldoorlog, de zogenaamde opbouw. In West-Europa werd het toen pas beter "voor iedereen".

Terug naar de armenzorg:

De armen Voorop gesteld. Het is nooit plezierig als je het financieel niet meer red. Dat gebeurt vandaag aan de dag nog erg veel. het gebeurt zelfs steeds meer. Schrikbarend hoeveel mensen het treffen en niet eens meer benodigde basis behoeften kunnen kopen. Maar wat doe je als je niet meer rond kan komen? Nu in onze tijd kun je aankloppen bij de gemeente, er zijn uitkeringen en toeslagen. Je kunt naar de voedselbank en je kunt soms kortingen krijgen. Voldoende? nee vaak niet maar het helpt wel.


Hoe was het vroeger?
Vooruitlopend op hoe de Krimpenerwaard het geregeld had moeten we vaststellen dat armenzorg in de 18e eeuw in Nederland niet centraal of landelijk geregeld was. Het was een lokaal en versnipperd systeem waarin de kerk en het stads- of dorpsbestuur de belangrijkste rollen speelden.

Het basisprincipe was simpel: armenzorg was een gunst (liefdadigheid), geen recht. Men probeerde de 'fatsoenlijke' armen te helpen, terwijl landlopers hard werden aangepakt.

Hoe was de armenzorg vaak geregeld?
Het 18e-eeuwse zorgstelsel was opgebouwd uit de volgende lagen en mechanismen:

  • Vormen van Hulp: Binnen- en Buitenbedeling
    De zorg werd grofweg in twee categorieën verdeeld:
    De Buitenbedeling (Thuiszorg): Dit was de meest voorkomende vorm. Armen bleven zelfstandig wonen en kregen wekelijks of maandelijks steun in natura (zoals brood, turf voor de kachel, kleding en spek) en soms een kleine som geld.
    De Binnenbedeling (Institutionele zorg): Voor wie echt niet meer voor zichzelf kon zorgen, waren er instellingen. De 18e eeuw stond bekend om de institutionalisering. Denk aan weeshuizen, oudevrouwen- en oudemannenhuizen, en gasthuizen (voor zieken).

  • De Keerzijde: Werkhuizen en Tucht.
    In de loop van de 18e eeuw veranderde de visie op armoede. Armoede werd steeds vaker gezien als een gevolg van luiheid.
    Werkhuizen: Om armen "nuttig" te maken, richtten veel steden werkhuizen op. Armen, bedelaars en wezen moesten hier onder strikt regime werken (bijvoorbeeld spinnen, weven of hout raspen) om hun eigen verblijf te bekostigen.
    Criminalisering van armoede: Landlopers en hardnekkige bedelaars die niet wilden werken, liepen het risico te worden opgesloten in een tuchthuis (zoals het bekende Rasphuis in Amsterdam).

  • Financiering van de Zorg
    Het geld voor de armenzorg kwam niet uit structurele belastingen, maar uit: Vrijwillige aalmoezen: Collectes tijdens de kerkdienst en deur-aan-deurcollectes.
    Schenkingen en legaten: Rijke burgers die bij testament geld of landgoederen nalieten aan de armen (vaak om hun eigen zielenrust te verzekeren).
    Lokale heffingen: Belastingen op luxeartikelen, begrafenissen, theaters of de verkoop van bepaalde goederen, waarvan de opbrengst specifiek naar de armenkas ging.
De armen

Hoe was de armenzorg in de Krimpenerwaard geregeld?
Zoals gezegd was de armenzorg liefdadigheid en een gunst. In de Kimpenerwaard werd dit uit het christelijk gedachtegoed geregeld door de kerk. Het was niet neergelegd bij de burgers zelf maar structureel geregeld.

De consequenties voor de mensen zelf.
Even in het achterhoofd... We praten over de eeuwen waarin armoede enorm was. We denken vaak dat de Gouden eeuw voor iedereen een paradijs was maar dat was niet zo. Het was een selecte groep Nederlanders die veel geld verdienden met handel. De rest was arm Zeker na het rampjaar 1672 ging het bergafwaarts en na 1700 was het niet anders dan dikke armoede. Veel mensen hadden het gewoon slecht en veel daarvan waren aangewezen op de armenzorg.
  • 1. Verlies van politieke en burgerrechten. Geen stemrecht:
    Bedeelden verloren direct hun stemrecht in lokale besturen of gilden (voor zover ze dat al hadden). Wie afhankelijk was van de gemeenschap, mocht niet meebeslissen over diezelfde gemeenschap.
    Trouwverbod: In veel steden en dorpen mochten mensen die in de bedeling zaten niet zomaar trouwen. Het bestuur wilde voorkomen dat er nieuwe gezinnen werden gesticht die nóg meer arme kinderen zouden voortbrengen die financieel ondersteund moesten worden.

  • 2. Extreme sociale controle en morele keuring / Kerkbezoek en vroomheid:
    Ontving je geld of voedsel van de protestantse diaconie, dan werd er geëist dat je elke zondag in de kerk zat. Miste je een dienst dan werd je opgeschreven en direct gekort op je wekelijkse brood of turf.
    Gedragspolitie: Diakenen en armmeesters kwamen onaangekondigd op huisbezoek om te controleren of er niet stiekem werd gedronken, gedobbeld of gevloekt. Zelfs je huishouden moest "netjes en ordelijk" zijn.
De armen


Voor vrouwen in de 18e eeuw waren de consequenties van een beroep op de armenzorg nog een stuk ingrijpender en vernederender dan voor mannen.
De oorzaak hiervan lag in de heersende moraal: de maatschappij zag vrouwen als juridisch en moreel ondergeschikt aan mannen.Zodra een vrouw financiële hulp nodig had—vaak door het overlijden van haar man, verlating, of een buitenechtelijke zwangerschap—werd haar privéleven tot in het kleinste detail door het (volledig mannelijke) armenbestuur gecontroleerd.

De extra consequenties en specifieke regels voor vrouwen waren als volgt:
  • 2. Extreme controle op kuisheid en seksueel gedrag
    Waar mannen weleens wegkwamen met een misstap, werd het zedenloze gedrag van een vrouw direct bestraft met het stopzetten van de bedeling.
    Geen mannelijk bezoek: Diakenen controleerden streng of er 's avonds of 's nachts geen mannen over de vloer kwamen bij alleenstaande moeders of weduwen. Elk vermoeden van ontucht of prostitutie betekende het einde van de hulp.
    Gedwongen openbare boetedoening: Had een vrouw een buitenechtelijk kind gekregen en wilde ze aanspraak maken op hulp van de kerk, dan moest ze eerst in facie ecclesiae (in het openbaar, ten overstaan van de hele kerkgemeenschap) op de knieën om schuld te bekennen en vergiffenis te vragen voor haar "hoererij".

  • 3. Het verlies en de opvoeding van de kinderen
    Vrouwen in de bedeling verloren vaak de zeggenschap over hun eigen gezin.Plaatsing in het weeshuis: Als het armenbestuur oordeelde dat een weduwe of alleenstaande moeder niet capabel genoeg was (of te arm) om haar kinderen op te voeden, werden de kinderen resoluut afgenomen en in het burger- of diaconieweeshuis geplaatst.
    Gedwongen kinderarbeid:
    Zodra kinderen van bedeelde moeders een jaar of 9 à 10 waren, bepaalde het armenbestuur waar zij gingen werken. Jongens gingen in de leer bij een ambachtsman of naar de zeevaart; meisjes werden als goedkope dienstbode bij rijkere gezinnen geplaatst om zo de armenkas te ontlasten.
De armen
Als je dit zo leest begin je je af te vragen hoe 'nobel' alles wel was?
Kon je ook weer uit de armenzorg? Natuurlijk kon dat maar terugbetalen van de kosten was dan wel één van de voorwaarden als je er langdurig gebruik van gemaakt had.

Nu de armmeester Wie was dat?.

Een arm(en)meester was verantwoordelijk voor het beheer van de armentafel, een instelling die zich bezighield met de armenzorg. Hij werd aangesteld door het bestuurscollege of de kerk en droeg zorg voor de geldelijke middelen van het armenbestuur en de bedeling aan armen en behoeftigen. Als beambte maakte hij ook deel uit van het kerkelijke armenbestuur en werkte samen met de kerkmeesters. Hij moest administratief onderlegd zijn, was belast met de controle op inkomsten en uitgaven en het bijhouden van het armenregister. De armentafel genoot zijn revenuen grotendeel uit testamentaire giften van daadkrachtige burgers. Zij leenden ook geld aan de armenkas, waarvoor interest betaald werd. Daarom was de armmeester rekenschap verschuldigd aan het bestuurscollege.

Al behoorde hij tot de regenten, toch was het geen geliefde functie. Het leverde nauwelijks iets op en men deed het louter uit liefdadigheid. Armlastigen die zelf niet (meer) in hun eigen levensonderhoud konden voorzien, werden door de armmeester tegen een zo gering mogelijke geldelijke vergoeding bij derden ondergebracht. Een inhumane opgave die vaak werd onderschat. Door het publiek werd de armmeester dan ook met Argusogen bekeken, terwijl het bestuurscollege de financiële touwtjes strak hield. Geen wonder dat niemand stond te springen om tot armmeester te worden benoemd.
De Armeester

De belangrijkste taken van de armmeester waren:

Omdat we uit een 'rijke tijd' komen staan we er niet snel bij stil. Het percentage van de Nederlandse bevolking dat afhankelijk was van de armenzorg (de bedeling) lag in de 18e en 19e eeuw schrikbarend veel hoger dan tegenwoordig.
Waar nu zo'n 3 tot 5% van de bevolking rond de armoedegrens leeft, was armoede destijds een massafenomeen dat bij vlagen een substantieel deel van de samenleving trof.
Omdat er geen centrale registratie was en de cijfers sterk schommelden door misoogsten, oorlogen en epidemieën, verschilde het aandeel per periode en regio:

Pas in de tweede helft van de 19e eeuw, toen de industrialisatie in Nederland op gang kwam en de Armenwet van 1854 werd ingevoerd, begonnen deze massale percentages langzaam te dalen.

"Waren er tijdens de Gouden eeuw veel mensen arm?.¨
Ik heb de vraag een paar keer in Google gezet omdat het vermoeden anders is maar kreeg iedere keer dezelfde antwoorden.

Ja, er waren in de Gouden Eeuw (de 17e eeuw) ontzettend veel mensen arm.
De naam 'Gouden Eeuw' geeft een vertekend beeld: de enorme rijkdom, de kapitale grachtenpanden en de schitterende kunst waren er slechts voor een kleine bovenlaag van regenten, edellieden en succesvolle kooplieden. Voor het overgrote deel van de bevolking was de Gouden Eeuw een periode van keihard zwoegen, overleven en bittere armoede.
En dan te bedenken dat er mensen zijn die denken dat "Alle Nederlanders" al eeuwen rijk zijn geweest. Ik snap daar helemaal niets van...


De Armmeester Dat wij een periode hebben gekend waar armoede beduidend minder was hebben we te danken aan sociale wetgeving die vooral na de tweede wereldoorlog gekomen is. Daarvoor is het voor veel Nederlanders dikke kommer en kwel geweest.

Maar, als ik heden ten dage om mij heen kijk is er een kentering te zien. De zorgeloze jaren zijn voorbij.
We moeten dus erg oppassen niet terug te gaan naar de wereld en armoede cijfers die hier op deze pagina zijn weer gegeven. Kinderen die zonder ontbijt in de schoolklas zitten, geen extraatje voor een schoolreisje, mensen die onvoldoende geld hebben de noodzakelijke persoonlijke toiletartikelen te kopen. Of er is onvoldoende geld in het gezin voor afdoende maandelijkse middelen voor jonge tienermeisjes. Een taak voor de politici van vandaag.!!!!

Webpage gemaakt door een zelfgemaakt programma in Python3